Twee onafhankelijke analyses, gepubliceerd in eind 2025 en januari 2026, komen tot dezelfde conclusie: het gebruik van ADHD-medicatie stijgt snel, en volwassenen — in het bijzonder vrouwen — zijn verantwoordelijk voor een groot deel van die groei. Een Europees observationeel onderzoek, geleid vanuit het DARWIN EU Coordination Centre en gerapporteerd door onderzoekers van de University of Oxford, onderzocht elektronische patiëntendossiers uit België, Duitsland, Nederland, Spanje en het VK voor de periode 2010–2023 en stelde een grote toename in het aantal voorschriften vast. Afzonderlijk hiervan rapporteerde een analyse van gezondheidsgegevens van de bevolking van Ontario over 2015–2023 een stijging van 157% in het aantal voorschriften voor stimulantia, met de sterkste stijging onder volwassen vrouwen. Beide studies maakten gebruik van routinematige "real-world" gegevens in plaats van kleine klinische steekproeven, wat een beeld geeft van de veranderende behandeling op bevolkingsniveau.
Wat de cijfers laten zien
De Europese analyse besloeg meer dan 198.000 mensen in gekoppelde gezondheidsdossiers en rapporteerde dat de algehele prevalentie van ADHD-medicatie tussen 2010 en 2023 meer dan verdrievoudigde in het VK en meer dan verdubbelde in Nederland. De grootste proportionele stijgingen werden gezien bij volwassenen van 25 jaar en ouder: in het VK-cohort steeg het medicatiegebruik met meer dan een twintigvoud voor vrouwen in die leeftijdsgroep en met ongeveer een vijftienvoud voor mannen.
In Canada rapporteerden onderzoekers die werkten met de bevolkingsgegevens van Ontario dat de jaarlijkse voorschrijfcijfers stegen van ongeveer 275 naar 708 per 100.000 mensen tussen 2015 en 2023, een stijging van 157% in totaal. Het rapport uit Ontario benadrukte dat vrouwen in de leeftijd van 18–44 jaar de snelste stijging in nieuwe voorschriften doormaakten — meer dan het dubbele van de stijging die werd waargenomen bij mannen in dezelfde leeftijdscategorie — en dat volwassenen van 45–64 jaar in 2023 ook een opmerkelijke groei lieten zien in eerste voorschriften.
Welke medicijnen zijn betrokken, en hoe lang blijven mensen ze gebruiken?
In de gehele Europese dataset bleef methylfenidaat de meest voorgeschreven ADHD-medicatie. Nieuwere middelen zoals lisdexamfetamine en het niet-stimulerende middel guanfacine lieten een gestage toename zien na goedkeuring op de markt. De studie in Ontario richtte zich op stimulantia (amfetaminen en methylfenidaatformuleringen) en hun verstrekkingspatronen.
Beide onderzoeksinspanningen benadrukten dat het voortzetten van de behandeling na de start variabel en vaak laag is: veel mensen beginnen met medicatie maar stoppen binnen enkele maanden, met variatie tussen landen en gezondheidssystemen. Dat patroon roept vragen op over hoe en waarom de behandeling wordt gestaakt — of dit nu komt door bijwerkingen, gebrek aan effectiviteit, toegankelijkheidshindernissen, of omdat een korte medicatiekuur de klinische keuze was.
Waarom vrouwen, en waarom volwassenen?
De COVID-19-pandemie en de snelle uitbreiding van virtuele zorg worden ook genoemd als mogelijke versnellers: consulten op afstand vergrootten in sommige omgevingen de toegang tot beoordelingen door de eerste lijn en specialisten. Daarnaast hebben pandemie-gerelateerde sociale veranderingen en veranderingen op de werkplek mogelijk functionele problemen aan het licht gebracht, wat mensen ertoe aanzette om op volwassen leeftijd een diagnose te zoeken. Tot slot hebben de komst en marketing van nieuwe formuleringen en duidelijkere registraties voor volwassenen voor sommige medicijnen de therapeutische opties verbreed.
Zorgen: misdiagnose, veiligheid en voorraad
Stijgende aantallen voorschriften brengen voordelen met zich mee voor veel patiënten — onbehandelde ADHD bij volwassenen wordt geassocieerd met verminderde beroepsmatige en educatieve prestaties, relatieproblemen en comorbide psychische aandoeningen — maar de artikelen benadrukken ook de risico's die gepaard gaan met de snelle groei in het voorschrijven. Clinici en onderzoekers waarschuwen voor het risico op misdiagnose of overdiagnose als beoordelingen oppervlakkig zijn, vooral wanneer diagnostische trajecten sterk leunen op zelfrapportage of een enkel telehealth-contact.
Implicaties voor beleid en praktijk
Beide onderzoeksteams kaderden hun bevindingen als een signaal voor gezondheidssystemen om zich aan te passen. Dat omvat: het waarborgen van voldoende diagnostische capaciteit (specialisten in de geestelijke gezondheidszorg en neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, of goed opgeleide trajecten in de eerstelijnszorg), het inbedden van monitoring en follow-up in de voorschrijffunctie, en het versterken van de veerkracht van de toeleveringsketen voor veelgebruikte middelen. Waar een behandeling wordt gestart, zouden clinici moeten plannen voor longitudinale zorg in plaats van episodische voorschriften: het monitoren van de respons, bijwerkingen en functionele uitkomsten, en het aanbieden van psychosociale en gedragsinterventies naast of in plaats van medicatie wanneer dat gepast is.
De studies onderstrepen ook een gebrek aan informatie: we missen nog steeds grootschalige, langdurige vergelijkende effectiviteitsgegevens voor behandelstrategieën bij volwassenen binnen diverse gezondheidssystemen. Dat gat bemoeilijkt beleidskeuzes over wie medicatie zou moeten ontvangen, voor hoe lang, en onder welk monitoringsregime.
Wat onzeker blijft
Belangrijke onbekenden blijven bestaan. De bevolkingsdatasets kunnen voorschrijfpatronen documenteren, maar kunnen niet altijd de klinische redenering op individueel niveau verklaren: kregen meer mensen de juiste diagnose na vele jaren van symptomen, of zijn de diagnostische drempels verschoven? Hoeveel droeg virtuele beoordeling bij ten opzichte van fysieke zorg? En wat zijn de langetermijnuitkomsten voor de nieuwe cohorten volwassenen die nu aan een behandeling beginnen — op het gebied van werk, geestelijke gezondheid en fysieke gezondheid?
Het beantwoorden van die vragen vereist gekoppeld onderzoek dat voorschrijfgegevens combineert met klinische notities, gevalideerde diagnostische beoordelingen en longitudinale uitkomstmaten. Gerandomiseerde onderzoeken en grote observationele vergelijkende studies die specifiek gericht zijn op volwassen populaties — en uitgesplitst naar geslacht — zouden helpen bepalen welke behandelstrategieën duurzaam voordeel opleveren met een acceptabel risico.
Wat dit betekent voor patiënten en clinici
Voor clinici is de boodschap pragmatisch: erken de waarschijnlijkheid dat u meer volwassen patiënten zult tegenkomen die een beoordeling voor ADHD zoeken, wees voorbereid om gevalideerde diagnostische beoordelingen toe te passen, bespreek niet-farmacologische behandelingen en stel monitoringsplannen op bij het voorschrijven. Voor patiënten en het publiek suggereren de recente analyses zowel vooruitgang — een betere erkenning van een beperkende aandoening bij voorheen over het hoofd geziene groepen — als een behoefte aan voorzichtige, geïnformeerde zorg.
Beleidsmakers zouden de trends moeten zien als een signaal om te plannen. Snelle toenames in de prevalentie van behandelingen veranderen de vraag naar specialistische diensten, de trainingsbehoeften in de eerstelijnszorg en de logistiek van de medicatievoorraad. Doordachte implementatie van klinische richtlijnen en investeringen in uitkomstgericht onderzoek zouden helpen waarborgen dat de waargenomen piek resulteert in betere en veiligere zorg, in plaats van gefragmenteerd of onjuist voorschrijfgedrag.
Bronnen
- The Lancet Regional Health - Europe (Li X et al., "Trends in use of Attention-Deficit Hyperactivity Disorder medications among children and adults in five European countries, 2010 to 2023", 2026)
- JAMA Network Open (Ontario population study of stimulant prescriptions, 2015–2023)
- University of Oxford — Nuffield Department of Orthopaedics, Rheumatology and Musculoskeletal Sciences; DARWIN EU Coordination Centre
- SickKids, North York General Hospital and ICES (Ontario administrative data research)
Comments
No comments yet. Be the first!